Afkoopsom aan zusterbedrijf vormde uitdeling

Onlangs heeft de Hoge Raad zonder nadere motivering een cassatieberoep afgewezen tegen een uitspraak van Hof Amsterdam, waarin een onverplichte betaling aan een zustervennootschap werd aangemerkt als een uitdeling.

Belanghebbende was in 2001 als moedermaatschappij verenigd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna vpb) met een dochter-bv, die in april 2001 een distributieovereenkomst sloot, waarbij de wederpartij zich verplichtte producten af te nemen. Al in de tweede helft van 2001 werd duidelijk dat de wederpartij daar niet aan kon voldoen. De dochter-bv betaalde vervolgens op basis van een contract met dagtekening 28 november 2001 een bedrag van € 1,8 miljoen aan een per 1 januari 2002 met belanghebbende en de dochter-bv in een fiscale eenheid verenigde zuster-bv. Dit bedrag was betaald ter zake van de afstand door de zuster-bv van de aanspraak op haar aandeel in de boete die de wederpartij van de dochter-bv verschuldigd was wegens het niet-nakomen van haar verplichtingen. In geschil was de door de dochter-bv in haar aangifte vennootschapsbelasting 2001 in aftrek gebrachte buitengewone last van € 1,8 miljoen. De inspecteur corrigeerde de aftrek. Belanghebbende ging namens de dochter-bv in beroep bij Rechtbank Haarlem, maar het beroep werd ongegrond verklaard. Daarop ging belanghebbende in hoger beroep bij Hof Amsterdam.

Hof Amsterdam overwoog dat, uit het enkele feit dat de dochter-bv met steun van de zuster-bv een distributiecontract had afgesloten, nog niet volgde dat de zuster-bv een zelfstandig recht kreeg op de uit het distributiecontract voortvloeiende boete. Evenmin was vast komen te staan dat voor de dochter-bv een verplichting tot schadevergoeding tegenover de zuster-bv was ontstaan. Hof Amsterdam besliste dat in het geheel geen schadeplicht jegens de zuster-bv aannemelijk was geworden.

Door de zuster-bv toch een afkoopsom te betalen had de dochter-bv onzakelijk gehandeld. Dat onzakelijke gehandeld. Dat onzakelijk handelen was volgens het hof alleen te verklaren door de bestaande vennootschappelijke verhouding tussen de dochter-bv en de zuster-bv. De betaling van de afkoopsom moest volgens het hof als uitdeling worden geëlimineerd. Het hof verklaarde het hoger beroep van de dochter-bv ongegrond. De dochter-bv ging in cassatie. De Hoge Raad deed het beroep in cassatie af  met toepassing van artikel 81 Wet RO. #Bron#Hoge Raad 12 februari2010, LJN: BL3607 en Hof Amsterdam, 30 januari 2008, LJN:BD4324

Over belastingvragen

Ervaren belastingadviseur
Dit bericht werd geplaatst in Vennootschapsbelasting en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s